Terugvaart naar Schiermonnikoog

8 september 2016

Deze zomer kwam ik weer op Schiermonnikoog. Een plek om naar terug te keren. In meer betekenissen van het woord. Wat had ik daar te zoeken?

In uw handen beveel ik mijn geest

In mijn wandeltocht vorig jaar deed ik ‘de eilanden’ aan. Lopend met mijzelf langs het strand genoot ik van de ruimte, de stilte – slechts het gedruis van de zee – de weidsheid en de schoonheid. Balsem voor de ziel, zo voelt dat voor mij. En ik voelde mij niet alleen, alsof er iemand met je meeloopt, je betere ik. Mijzelf in verheven staat, zoals het goed en bedoeld is; een soort wandelen met God misschien?

Ik praat veel tegen mijzelf en ervaar dat ‘de dingen’ op hun plaats vallen. Ik voel me goed bij en met mijzelf. De wat verheven tekst uit de bijbel: ‘in uw handen beveel ik mijn geest’, krijgt een eenvoudiger betekenis: ik voel me verlost van de dagelijkse beslommeringen en het ‘gemaal in het koppie’. Een bevrijding en een eeuwigheidsmoment – als ik nu zou sterven kan ik tevreden zijn, en mag ik (mijn geest in feite) worden op weggedragen, op vleugels over zee. Tja, op de grens van land en water kun je zulke gedachten ineens bij jezelf opvissen.

De monniken keren terug

Terug naar Schier dus om de weidsheid van het landschap en de oneindigheid en eeuwigheid van de natuur van de geest te ervaren.

Naar aanleiding daarvan keek ik deze week opnieuw naar De terugkeer van de monniken op Schiermonnikoog. Een prachtige documentaire over afscheid nemen en opnieuw durven beginnen. Vier van de laatste zeven monniken van de Abdij van Sion in Diepenveen voelen zich geroepen om hun toekomst elders voort te zetten. Hun huis wordt te groot voor hun bescheiden gemeenschap. Schiermonnikoog roept, pleisterplaats van grauwe monniken uit een grijs verleden. “Zou het niet geweldig zijn wanneer we onze toekomst hier opbouwen. Wij zijn de schatbewaarders van een roeping om helemaal van God te zijn, opdat God levend blijft in dit leven. Wij zijn daarvan een teken”.

Proces van loslaten …

Behalve over roeping gaat dit ook over het aardse proces van afscheid nemen van een oude vertrouwde plek, waaraan je verknocht bent; de oudste broeder woonde er al 36 jaar. We volgen dat proces van loslaten. Dat begint met vragen: waarom ben ik hier gekomen, waarom ben ik gebleven en waarom ben ik hier nog steeds? Dat levert heel persoonlijke verhalen op over de keuzen die deze mannen voor het monastieke leven hebben gemaakt En die in eerste instantie niet bewust of zelfs bewust niet over de het beleven van de nabijheid van God gingen. Maar wel allemaal over bevrijding en ruimte. Het ervaren van je eigen(aardig)heid en daarin gezien en erkend worden. Voornamelijk door op te gaan in die gemeenschap met haar rituelen en gewoonten.

… en weer vinden

En dan wil men dus een nieuwe gemeenschap stichten op een andere plek. Dichter om God, als we de tekeningen van de geplande nieuwe abdij mogen geloven. Maar hoe lastig blijkt dat proces te zijn. En hoe confronterend, vond ik, om te zien dat deze mannen, die alle hun leven ten dienste stellen van God, het net zo moeilijk vinden als wij om hun vertrouwde nabijheid los te laten en in te ruilen voor een ongewisse toekomst ver weg. Mannen die, getraind van geest, het ongemak van hun gehechtheid ervaren. En de angst voor het onbekende.

Een nieuwe stap

Maar vier van hen zetten de stap. Iedere dag bidden zij: Heer onze God, komt met de zegenende werking van uw handen. Daarmee vragen zij om steun en vertrouwen dat zij hun geest in de handen van het hogere willen geven, opdat hun het goede wordt ingegeven. Zo vertaal ik het maar. En zo zie je een van hen ook echt een ommekeer maken en kiezen voor een nieuwe bestemming, waartegen hij zich allereerst met hand en tand verzette. Dat doet hij door zijn getob los te laten en daarvoor in gebed hulp te vragen. Van tegenstander wordt hij een vurig pleitbezorger.

Verzet

Nu ik. Want getob over onze nieuwe woonplek – de huidige wordt om verschillende redenen te groot voor ons – is mij niet vreemd en was deze vakantie veel bij mij. Op Schier, maar ook thuis. Ik deed allerlei onderhoudsklussen aan het huis: schilderen, zolder isoleren, de sloten vernieuwen: voor welk verval wil ik ons behoeden? Welke dieven wilde ik buitensluiten? Waar wilde ik mij voor afsluiten? Waarin wilde ik mijzelf opsluiten?

De liefde en band met onze woonplek kon ik ineens zo goed voelen evenals de weerstand tegen het vertrek. Hemel, dat gaat me nooit lukken, iedere vezel in mijn lijf verzet zich ertegen! Ik wil behouden wat ik heb: de zekerheid, de plek waar ik me veilig voel en waar ik van geniet: de ruimte, de tuin, de herinneringen.

Afsluiten

Nog middenin dat proces zit ik. De monniken maakten hun kring steeds kleiner, sloten steeds meer ruimten af: de boerderij, de gastenverblijven. Misschien is dat voor mij ook een heilzame manier. Mijn ruimte verkleinen ter voorbereiding op de stap naar een passender woonstee. En de gedachten van onvergankelijkheid loslaten. Want aan welke vorm blijf ik me toch vasthouden? Die vorm is niet vast – verandert steeds, vanwaar anders dat onderhoud (vormbehoud) – dus wat houd ik in stand? Vorm is vergankelijk, niet vast- en bestaand, dus in feite leeg. Zou ik zo ook mijn geest leeg kunnen maken van de gedachte dat er – wat immers? – iets moet blijven?

Laat varen

Die monniken snappen het allang: wíj zijn die nieuwe plek – een levend teken van de zegenende werking van Gods handen. Blijven tobben over iets wat in feite niet bestaat, helpt niet. Laat los, laat varen die gedachte: in uw handen beveel ik mijn geest. Help mij om mezelf uit mijn eigen gevangenis te bevrijden. Ik heb ervaren dat die hulp deze zomer zeer nabij was.

Wat ben ik blij dat ik terugvoer naar Schier!